De kunst van financial engineering

Financiering van (publiek-private) samenwerking is vaak een ingewikkeld vraagstuk, zeker als de ambitie bestaat om deze langdurig voort te zetten. Bij een business-driven campus is deze problematiek nog groter, doordat er sprake is van een gebouw met (technologische) voorzieningen die in verschillende mate worden gebruikt door het onderwijs (publiek) en het bedrijfsleven (privaat). Hoe krijgt dat gedeelde gebruik zijn weerslag in de financieringsstromen? Die vraag bemoeilijkt in veel gevallen de werving van aanvullende funding en de uiteindelijke verantwoording naar subsidieverleners en andere financiers. De kunst van financial engineering is dan ook om de juiste financiers te vinden voor het juiste deel van het project. In de tabel staat een kort overzicht van de meest voorkomende geldstromen, geordend per fase van ontwikkeling:

Fase van ontwikkeling Soorten geldstromen
Verkennings-/voorbereidingsfase
  • Inbreng van partners ter financiering van aanloopkosten
  • Startsubsidies of subsidies voor verkennende pilots op basis van structurele regelingen dan wel incidentele toezeggingen
  • Andere fondsen
Investeringsfase met investeringen in gebouw, voorzieningen, curriculum, etc.
  • Private investeringen
  • Investeringen vanuit onderwijs- en kennisinstellingen als onderdeel van hun huisvestingsbeleid al dan niet in combinatie met schatkistbankieren
  • Bijdragen vanuit de overheid/overheden
  • Subsidieregelingen vanuit EU, Rijksoverheid of andere overheden, met cofinanciering vanuit bedrijven, onderwijs en/of overheid in cash en/of kind (uren en/of materiaal)
  • Financiering van bijzondere leerstoelen, lectoraten en practoraten
  • Andere fondsen
Exploitatie-fase: beheer
  • Rendabel businessmodel/verdiencapaciteit
  • Opbrengsten door verhuur kantoor, standruimtes en zalen, via catering en/of door organisatie van rendabele events.
  • Contributiemodel waarbij bedrijven een fee betalen voor deelname bijv. in de vorm van lidmaatschap van een vereniging of coöperatie
  • Subsidies ter dekking van kosten bij de start van de exploitatie. Ook hier zal vaak sprake zijn van eis tot cofinanciering
  • Bekostiging vanuit de deelnemende kennis-.onderwijsinstelling mits deze activiteiten direct zijn te koppelen aan het curriculum of onderzoeksprogramma
  • Andere fondsen

 

Exploitatie-fase: doorontwikkeling
  • Bijdragen van bedrijven aan innovatie-onderziek en -opdrachten
  • Specifieke onderzoekssubsidies en startsubsidies
  • Andere fondsen

Overzicht houden

Om in deze mêlee van geldstromen het overzicht te hebben en te houden, is een aantal zaken essentieel. In de eerste plaats is dat een helder strategisch plan, op basis waarvan kan worden bepaald welk onderdeel geschikt is (te maken) voor welk fonds of welke financier. Essentieel hierbij is dat de partijen die het strategische plan dragen, beseffen dat het hier een financieel ont­wikkeltraject betreft. Het gaat immers niet om een doorsnee-aanvraag bij de bank voor een kas of productielijn. Dit vraagt om onderling vertrouwen en een volwassen balans tussen de verschillende eigenbelangen (de vierkante meters moeten wel worden betaald!) en het collectieve belang. (Zie ook ‘Samen of voor ons eigûh’ op pagina 26 en 27 van ons jubileum boekje.)

Verantwoordelijkheden duidelijk beleggen

In de tweede plaats is het essentieel dat helder is wie waarin investeert, wie in welke subsidievraag optreedt als penvoerder, wie het risico loopt voor welk onderdeel, wie verantwoordelijk is voor bijvoorbeeld de bouw en de financiering van de inrichting. Voorbeeld van dit laatste: voor de inrichting van het gebouw van de Food Innova­tion Academy stellen deelnemende bedrijven apparatuur en materiaal ter beschikking en zijn er financiële bijdragen bijdragen van het Regionaal Investeringsfonds MBO, de MRDH en het Fonds Schiedam Vlaardingen. De regie ligt bij het bestuur van Stichting FIA en een projectorganisatie met mensen uit het onderwijs en het bedrijfsleven. Het referentiekader is de gezamenlijke ambitie rondom de FIA (zie het gesprek met Alfred Bruin op pagina 8 en 9 van ons Jubileum Boekje).

Realistisch beeld verdiencapaciteit

In de derde plaats is een realistisch beeld nodig van de verdiencapaciteit(en) van de betrokken business-driven campus. Voor welke markt treedt men op? Wat is de koopkrachtige vraag? Soms leggen subsidiegevers de eis op tafel dat een project na verloop van tijd verduurzaamd moet zijn. Het is de vraag of deze eis tot ver­duurzaming in alle gevallen terecht is. Soms is een project gewoon klaar als het klaar is en het resultaat bereikt. Soms gaat het hier om vormen van innovatie of samenwerking die zo pré-com­petitief of vernieuwend zijn, dat marktpartijen deze niet snel zelf zullen betalen. Hier is vooraf al duidelijk dat er geen verdiencapaciteit zal zijn.

Governance

In de vierde plaats moet er aandacht zijn voor juridische en fiscale aspecten rondom onder meer staatssteun, btw en eisen ter zake van verantwoording. Dit vraagt ook om een goed uitgewerkte governance in termen van rechts­vormkeuze (stichting, vereniging, coöperatie, bv dan wel combinaties daarvan) en de interne (project)organisatie. De aandacht voor juridische en fiscale zaken en governance moeten wel zo­danig worden vormgegeven dat de samenwer­king mogelijk wordt en niet het slachtoffer wordt van overregulering of te grote voorzichtigheid.

Efficiënt en effectief

Tot slot is een match nodig tussen de ambitie van het plan, de doelen waarvoor de verschillen­de financiers funding over hebben, de regelgeving per subsidieregeling en de manier waar­op de financiële administratie(s) wordt/worden vormgegeven. Dit vraagt vooraf veel aandacht, vaak ook in overleg met accountants. Want het voordeel van financial engineering is dat je de gedeelde ambitie kan financieren vanuit meer­dere financiële bronnen. Het nadeel is dat je de geleverde prestaties moet verantwoorden aan verschillende financiers, op basis van verschil­lende subsidieregelingen. De kunst van financial engineering is om dat alles efficiënt en effectief te regelen.

 

Deze blog is onderdeel van ons jubileumboekje.